U bent hier

Sterke daling van geboorte- en vruchtbaarheidscijfers

22/06/16

De vruchtbaarheidscijfers van twintigers staan op het laagste peil sinds de Tweede Wereldoorlog. De trends van voorgaande jaren zetten zich versterkt verder: een daling van het geboortecijfer en het vruchtbaarheidscijfer. In tegenstelling tot de vorige jaren neemt de vruchtbaarheid nu in elke leeftijdsgroep af.

Geboortecijfer Kind en Gezin

In 2015 waren er 66 251 geboorten bij moeders met een woonplaats in het Vlaamse Gewest, een daling van 2,4% ten opzichte van 2014. Daardoor ligt het geboortecijfer volgens Kind en Gezin voor het eerst sinds 2005 terug onder de 67 000 kinderen. De daling die begon in 2011 zet zich sterker door dan de voorgaande jaren. Die daling doet zich voor in alle provincies: in Antwerpen is de daling het grootst, namelijk -3,7%, in Oost-Vlaanderen het kleinst: -1,1%.

Vruchtbaarheidscijfers

Op basis van zijn databank liet Kind en Gezin de vruchtbaarheidscijfers berekenen door Prof. Jan Van Bavel en Eli Nomes van het Centrum voor Sociologisch onderzoek, KU Leuven.

Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers (LVC) geven de verhouding weer van het aantal kinderen geboren in een gegeven jaar bij het aantal vrouwen van een bepaalde leeftijd. Een LVC van 0,12 bij vrouwen van 25 tot 30 jaar geeft weer dat er bij 100 vrouwen van die leeftijd 12 kinderen geboren werden.

Op basis van die leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers wordt het totale vruchtbaarheidscijfer afgeleid. Dit TVC is een virtueel cijfer (dus niet te begrijpen als het gemiddeld aantal kinderen dat vrouwen krijgen), maar is een goede indicator voor de mate waarin vrouwen in een bepaald kalenderjaar kinderen krijgen.

Evolutie totaal vruchtbaarheidscijfer 

In 2015 bedraagt het TVC 1,66, dat was 1,72 in 2014. In 2008 bedroeg het TVC nog 1,82. In 2015 viel de vruchtbaarheid sterker terug dan de jaren daarvoor, waardoor Vlaanderen terug op het niveau van 2004 zit.

Het vruchtbaarheidscijfer van niet-Belgische vrouwen ligt veel hoger dan dat van Belgische vrouwen (2,56 tegenover 1,54). Het verschil in vruchtbaarheid tussen Belgen en niet-Belgen neemt verder af. In 2001 was dat nog ruim 1,5 kinderen per vrouw, in 2015 was dat afgenomen tot ongeveer 1 kind per vrouw.

Provinciale verschillen

Tussen 2014 en 2015 daalde het TVC in elke provincie en in bijna alle arrondissementen (op Aalst, Roeselare en Kortrijk na). De provincie Antwerpen heeft de hoogste vruchtbaarheid (1,72), gevolgd door West-(1,66) en Oost-Vlaanderen (1,64) en Vlaams-Brabant (1,63), die erg dicht bij elkaar liggen. Limburg (1,58) ten slotte heeft een beduidend lager vruchtbaarheidscijfer.

Twintigers

Het aantal geboorten per 100 vrouwen van 20 tot 25 jaar daalde in het Vlaamse Gewest opmerkelijk van 5,2 in 2010 naar 4,3 in 2013 en 3,8 in 2015. Dat is het laagste peil ooit (in 1971 ging het nog om meer dan 14 geboorten per 100 vrouwen) en net zoals in 2014 merkelijk lager dan de vruchtbaarheid bij 35- tot 40-jarige vrouwen.

Bij de 25- tot 30-jarige vrouwen daalde het aantal geboorten per 100 vrouwen van 13,6 in 2010 tot 12,1 in 2015, wat het laagste naoorlogse vruchtbaarheidscijfer voor die leeftijdsgroep is. In het algemeen stellen we vast dat de vruchtbaarheid van twintigers weer sterk is beginnen dalen en zich op het laagste peil sinds de Tweede Wereldoorlog bevindt.

30-plussers 

Vanaf de tweede helft van 1980 vertaalde het uitstel van ouderschap zich in systematisch stijgende vruchtbaarheidscijfers voor 30-plussers. Sinds 2010 bleef het aantal geboorten bij 30- tot 35-jarigen min of meer stabiel. In 2015 ging ook de vruchtbaarheid van die leeftijdsklasse er duidelijk op achteruit: van 11,9 naar 11,4 geboorten per 100 vrouwen. 

In 2015 stopte ook de stijging van het LVC bij vrouwen tussen 35- en 40 jaar en wordt zelfs een heel lichte daling genoteerd (van 4,5 naar 4,48 kinderen per 100 vrouwen). 

We stellen dus een daling van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers vast in alle leeftijdscategorieën.

Vruchtbaarheid van Belgische en niet-Belgische vrouwen evolueert naar elkaar toe

Als we de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers uitsplitsen naar nationaliteit van de moeders, dan zien we niet alleen dat de curves sterk verschillen, maar ook dat er een convergentie van vruchtbaarheid zichtbaar is. Het vruchtbaarheidspatroon van vrouwen met een andere nationaliteit lijkt steeds meer op het vruchtbaarheidspatroon van de Belgische vrouwen.

De vruchtbaarheid van vrouwen met een andere nationaliteit blijft op elke leeftijd hoger liggen dan die van de Belgische vrouwen. De vruchtbaarheid is ook ruimer gespreid over uiteenlopende leeftijden dan bij Belgische vrouwen, wat onder andere het gevolg is van de grote culturele en demografische heterogeniteit van de bevolking met een andere nationaliteit. Niet-Belgische vrouwen hebben dus nog steeds meer kinderen op jongere leeftijd, maar ook op oudere leeftijd. 

De convergentie in vruchtbaarheid blijkt vooral wanneer we de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers per nationaliteit vergelijken tussen 2 jaren. Ook bij vrouwen van niet-Belgische nationaliteit concentreert de vruchtbaarheid zich alsmaar meer rond de 30 jaar en ook het uitstelgedrag is bij hen duidelijk zichtbaar. 

Evolutie moederschapsleeftijd 

Het uitstel van vruchtbaarheid naar een latere leeftijd blijkt uit de verdere stijging van de verwachte leeftijd van vrouwen bij de (eerste) geboorte. 

De gemiddelde leeftijd bij de eerste geboorte is gestegen van 26,70 jaar in 2001 tot 28,19 in 2015. Die stijging is duidelijk sterker bij de mama’s van vreemde nationaliteit. In 2001 was er nog een verschil van meer dan 3 jaar tussen de leeftijd van Belgische en niet-Belgische vrouwen bij de geboorte van hun eerste kind, in 2015 was het verschil nog slechts 1,26 jaar (28,3 versus 27,04).

Kleinere gezinnen?

De daling van het TVC van de jongste jaren betekent niet noodzakelijk dat de jongste generaties gemiddeld minder kinderen zullen krijgen dan vrouwen uit de net iets oudere generaties. Of uitstel op jongere leeftijd tot recuperatie op latere leeftijd zal leiden, kunnen we pas na enkele jaren vaststellen. Tot nu toe zijn er – althans bij de Belgische bevolking – geen aanwijzingen voor een trend naar kleinere gezinnen. De daling van de vruchtbaarheid van de voorbije jaren kwam er vooral door minder eerste geboorten.

Uitstel of afstel?

We stellen voor 2015 vast dat de verwachte leeftijd voor het eerste kind weer verder opschuift, wat duidt op uitstelgedrag. Tegelijk zien we dat in 2015 elke leeftijdsklasse van vrouwen minder kinderen voortbrengt dan in 2014 en dat het totale vruchtbaarheidscijfer sterker dan de vorige jaren is afgenomen. Of dat een gevolg is van timing-effecten dan wel van een trend naar minder kinderen per vrouw kan nu nog niet gezegd worden. Dat zullen de evoluties in de vruchtbaarheidscijfers van de komende jaren moeten uitwijzen.

Bron: Kind en Gezin / Eigen berichtgeving

ZorgAndersTv (2025 volgers)
ZORGMagazine (3185 volgers)

Schrijf je hier in voor onze e-nieuwsbrief

Schrijf je hier in voor onze e-nieuwsbrief