Getuigenis tijdens viering 50 jaar consultatiebureaus West- Vlaanderen door Wouter Roelstraete:
Op dinsdag 25 november 2008 kreeg ik, op 31-jarige leeftijd, via DIASS de diagnose “autismespectrum”- en zo je wil stoornis. Graag wil ik voor u kort proberen uit te drukken wat deze diagnose met mij doet, waarom en hoe ze mij geholpen heeft.
Om dit te doen moet ik eerst iets over mezelf en m’n verleden vertellen.
Ik was 22 toen ik Zuster Klara terug ontmoette. Zuster Klara was het nonneke die zich ontfermde over ons in het derde kleuterklasje. Zuster Klara vertelde me dat ze zich nog herinnerde hoe ik mezelf tekende langs een rij bomen en hoe in iedere boom een gezicht getekend stond. Toen Zuster Klara me vroeg wie al die mannetjes in de bomen waren, zei ik als vanzelfsprekend: wel dat zijn toch de Godjes die over mij waken?
Ik was 2 jaar en kon nog niet lopen, zelfs amper rechtstaan. Toen ik 4 was praatte ik nog met geen woord, en later ook zo weinig mogelijk, enkel als het niet anders kon. Maar op 4-jarige leeftijd maakte ik wel mijn eerste schilderwerkje met lineair en atmosferisch perspectief, of althans getuigend van de eerste inzichten daarin.
Voor Zuster Klara en de rest van mijn dorp was ik een soort wonderkindje. Zuster Klara noemde mij een ‘kunstenaarszieltje’. Als ik midden op de weg lag omwille van het heerlijke gevoel van platheid, de effenheid en de symmetrie van asfaltwegen, en het vrije blauw boven mijn hoofd, kwam dit wel een beetje vreemd over bij het burenvolk, maar er was een verklaring: hij was een artiestje, en ja, artiestjes horen wat raar te doen, zich anders te gedragen dan de anderen (anders kunnen het toch geen kunstenaarszieltjes zijn?). Het cliché wil ook wat.
De waarheid was echter dat ik helemaal geen poging deed om me ‘vreemd’ te gedragen, ik gedroeg me mijn inziens volstrekt natuurlijk. Mijn kleuterjaren herinner ik mij als een voortdurende opeenvolging van zintuiglijk genot, waarbij ik de klanken, geuren, smaken, maar vooral het visuele, dingen, gebeurtenissen, en mensen, allen gelijkwaardig aanschouwde en in me dronk. Het drinken van deze zintuiglijke fenomenen was mijn voornaamste levensdoel en mijn absolute levensgeluk. Dit levensgeluk bracht ik tot uiting in tekeningen, uit fascinatie voor dat zintuiglijke. Maar het zette me ook op een dwaalspoor, gedurende bijna 30 jaar.
Dit dwaalspoor was dat etiket, die verkeerde diagnose, die mensen mij opgekleeft hadden, en die ik aldus zelf in stand hield omdat ik niet beter wist: het etiket een kunstenaar te zijn.
Ik studeerde schilderkunst en kwam in wat we voor het gemak de kunstenaarswereld zullen noemen, terecht. Ik begreep werkelijk niets van deze wereld. Niet op sociaal vlak – uiteraard niet, want de wereld is hoe dan ook onbegrijpelijk op sociaal vlak voor iemand met autisme – maar ook inhoudelijk niet. Als kunstenaar is me overkomen wat ik mezelf zwoer nooit te zullen overkomen: ik ben op een totale manier gefaald en gedoemd als kunstenaar, niet op 1 vlak, maar op alle vlakken, in alle dimensies en kronkels waarin een mens maar kan falen. Als kunstenaar, zo ontdekte ik in mijn twintiger jaren, bleef er helemaal niets over, zelfs geen uiteengespatte zeepbel die tenminste nog sporen nalaat.
Op 1 september 2007 ontmoette ik voor het eerst de leerlingen aan wie ik les zou geven, leerlingen met een normale begaafdheid en autisme. Deze leerlingen keken me aan op de meest zuivere manier die men kan inbeelden, en leken echter mens dan andere mensen. Het leken wel… mensen zoals ik.
Deze leerlingen waren de aanzet om mij aan te melden bij DIASS.
De diagnose die ik kreeg veranderde niets, en alles. Ik voelde me niet slecht of beschaamd, ik had er geen problemen mee of had geen enkele moeite het te aanvaarden.
Maar het veranderde alles omdat ik vanaf nu kon werken aan mezelf vanuit wat ik weet over autisme. Alleen hierdoor kon ik mijn frustratie, de frustratie van een in mijn ogen mislukt kunstenaarschap, eindelijk van mij afleggen. Problemen uit mijn jeugd, problemen nu en problemen voor de toekomst werden plotseling verklaarbaar. De puzzel van mijn leven viel in elkaar en de diagnose is het mooiste geschenk dat ik ooit gekregen heb: nu weet ik dat indien ik de diagnose niet gekregen zou hebben, mijn wereld heel erg diep in elkaar zou gestuikt zijn, waarbij ik me zelfs afvraag of ik er bovenop zou zijn gekomen.
Mijn diagnose was een bevrijding, een bevrijding om te kunnen zijn wie ik ben. Mijn diagnose was ook een geruststelling, en mijn diagnose gaf mij een toekomstperspectief die ik voordien niet had.
Ik zou graag afsluiten met een heel kort stukje uit mijn dagboek, geschreven rond de periode van mijn diagnose.
Ik maak al mijn hele leven tekeningen, toch duurde het een hele tijd eer ik besefte dat het enige wat ik echt goed kan, tekenen is. Ik teken echter niet omdat ik dat goed kan, ik teken omdat ik dat al mijn hele leven doe en ik niet anders kan.
Als kind gebruikte ik het tekenen om wat ik ervoer in een beeld weer te geven, en als communicatiemiddel. Op de kunstscholen leerden we echter kunstenaars zijn. Het heeft lang geduurd eer ik dat kunstenaar zijn kon opgeven, om uiteindelijk weer gewoon te tekenen om mijn ervaringen weer te geven in een beeld, en te communiceren.
De kunstschool was een onnodig obstakel, evenals de kunstwereld. Er valt niets te zeggen, te poneren, er hoeven geen meningen te zijn. Er valt niets te zoeken, niets te bereiken, je hoeft geen kunstenaar te worden. Ik had alles al in 1983. Ik was zes en 1983 is het mooiste jaar uit mijn leven. Ik was vrij.

Reacties
Een reactie plaatsen