‘Veel stotteraars worden artiest'

De film 'The king's speech' gaat over de stotterende Britse koning George VI, maar ook wij Belgen hebben onze bekende stotteraar. 'Door die spraakhandicap ben ik artiest geworden', zegt Arno Hintjens, bijvoorbeeld. Logopedist en ex-stotteraar Gert Reunes heeft het verhaal van Arno gelezen en beantwoordt enkele vragen die de Oostendenaar oproept.

 

1. ‘Ik ben er niet mee geboren'
‘Toch is stotteren genetisch bepaald. Het is een zwakke schakel in de spraakontwikkeling die meestal de kop opsteekt wanneer een kind vijf jaar is. Dat heet “primair stotteren”. De oorzaak van stotteren is niet dat iemand je onzeker maakt, maar dergelijke externe factoren kunnen het proces wel verergeren. Dat is dan “secundair stotteren”. Iemand die je uitlacht in de klas zal inderdaad je zelfvertrouwen aantasten. Dan doe je meer je best om goed te spreken, en die spanning maakt het primair stotteren erger.'

2. ‘Het zou een neurose zijn in de hersenen'
‘Men spreekt van een timingstoornis in de hersenen. Mensen die stotteren activeren andere delen dan mensen die niet stotteren. Bij de mondmotorische sturing van de spraakspieren wordt er bij mensen die stotteren geen dominante hersenhelft gebruikt, maar praten als het ware de twee hersenhelften. Bij mensen die vlot praten, ziet men duidelijk dat één hersenhelft dominant is.'

3. ‘Mannen stotteren meer dan vrouwen'
‘75 procent van de stotteraars zijn mannen. Dat komt omdat stotteren genetisch bepaald is. Mannen zijn immers het zwakke geslacht aangaande stoornissen. Met intelligentie op zich heeft stotteren dan weer niets te maken, al is het goed mogelijk dat een mens die stottert meer inspanningen levert om zijn “ei” vlot te leggen. Hij weet dat hij extra zijn best moet doen omdat het stotteren hem zo belemmert.'

4. ‘Ik sloeg met mijn kop om die antwoorden eruit te krijgen'
‘Met je hoofd slaan of allerlei bijbewegingen maken (grimassen, voetenstampen, met de ogen knipperen) zijn secundair stottergedrag dat men zichzelf onbewust aanleert om uit die blokkades te komen. Maar zo'n snelle oplossing blijft niet werken.'

5. ‘Het vreemde was dat ik bij mijn logopediste niet stotterde'
‘Vaak zien we kinderen die in een logopedische setting veel minder stotteren dan thuis. Het is alsof ze bewuster omgaan met hun spraak en daardoor andere hersendelen actief maken. Algemeen Nederlands praten kan al voordeel opleveren, of een ander dialect gebruiken. En dat Arno daar mócht stotteren en er aan zijn herstel gewerkt werd, heeft misschien veel spanning weggenomen.'

6. ‘Op school moest ik mijn naam zeggen. Dat was mijn hel'
‘Bij de meeste stotteraars is hun naam zeggen een hel. Dat komt omdat men moeilijk kan liegen over zijn eigen naam. Je kan geen synoniem vinden. Het gaat over je eigen ik. Indien je als kind merkt dat dit niet lukt, dan plakt je emotionele geheugen onmiddellijk een paar alarmsignalen bij je naam. In een volgende situatie waar je je naam moet zeggen, denk je aan die vorige situatie waar alles fout liep. Je krijgt dus meer en meer faalangst en dat is opnieuw secundair stottergedrag.'

7. ‘Je zoekt een bakker waar geen volk staat'
‘Arno beschrijft hier een mooi stukje aangeleerd secundair stottergedrag. Een winkel vol mensen ontwijkt hij vanwege de reacties die hij “eventueel” van die mensen zou krijgen op zijn stotteren. Dat secundaire stottergedrag van vermijden en vluchten van spreeksituaties gaat meer en meer groeien. Toch is Arno in Vlaanderen voor vele stotterende mensen een voorbeeld. Hij durft te praten in interviews, ook al ontwijkt hij soms directe vragen en begint hij over een ander onderwerp, wellicht omdat hij schrik heeft dat hij op de vraag zal blokkeren. Dat vermijdingsgedrag is typisch. Maar hij durft wél te stotteren op tv en laat zien hoe secundair gedrag werkt, bijvoorbeeld door grimassen te trekken.'

8. ‘Het neemt toe in de puberteit'
‘De puberteit is een van de gruwelijkste en moeilijkste periodes voor een mens die stottert. Je wil bij de groep horen en je bent oh zo speciaal omdat je niet kan communiceren als andere mensen. Hier gaan vele pubers zich afzonderen. Nog erger is dat ze hun probleem niet willen zien. Ze liegen tegen zichzelf dat ze niet stotteren. Dat leidt tot vluchtgedrag. Begrijpelijk: een mens wil zich beschermen voor het negatieve.'

9. ‘Je wil jezelf laten gelden'
‘Veel mensen die stotteren zoeken een alternatief om zich uit te drukken – inderdaad vaak in artistieke beroepen. Denk aan acteurs als Jan Decleir, Bruce Willis, Rowan Atkinson of zangers als Frank Boeijen, Frans Bauer, Kylie Minogue. Het kan verschillen. Sommigen stotteren niet wanneer ze zich geliefd voelen. Wat Arno betreft, die is extravert, hij laat zich gelden. Hij is niet bang om te tonen wie hij is. Stotteren is voor hem haast een handelsmerk geworden, een soort van anarchie en revolutie tegen alles wat grijs is. Hij voelt zich daar goed in. Jan Decleir is goed op het podium, omdat hij daar een andere mens speelt en dus meer zijn andere hersenhelft gebruikt. Maar in een interview, waarin hij weer zichzelf is, heeft hij het veel moeilijker.'

10. ‘Het stotteren is met tachtig procent verminderd'
‘Dat kan gerust. Iemand wordt ouder, leert meer relativeren. Arno is ook binnen. Hij voelt dus geen druk meer om te moeten presteren. Hij kan zijn wie hij is. Iedereen houdt van hem. De druk is weg om zich nog te moeten bewijzen en die druk is een factor waardoor iemand meer stress heeft en meer stottert. Het stukje stotteren dat hij nu nog heeft is “rest”-stotteren van het primaire soort. Hij heeft nu veel meer vertrouwen, waardoor die factor van minderwaardigheid geen spanning meer geeft. Maar op televisie lijkt hij me soms minder zichzelf: hij blokkeert, antwoordt niet of doet plots heel onverwachte dingen. Hij is gehaaid in zijn secundaire gedrag. Door een paar simpele technieken aan te leren, zoals trager te spreken, zou hij dat kunnen vermijden.'

Bron: De Standaard

Zoeken