Blogs
Philippe en ikzelf ontmoetten elkaar rond het thema rouwen. Binnen “TransCendere” blijft dit thema een belangrijke plek hebben, enerzijds binnen het werken met opstellingen anderzijds binnen het kader van ritueelbegeleiding. Net daarom kozen we er voor om samen een blogreeks te schrijven rond dit thema. De eerste blog is ontstaan uit onze uitwisseling rond de nood aan verbondenheid om goed te kunnen rouwen. Daarom ook de titel: “Kan je alleen rouwen ?” We begonnen ons – doorheen ons werk – immers meer en meer af te vragen of rouwen nu een eerder individueel of een eerder systemisch proces is. Het is zeker niet onze bedoeling om daar een sluitend antwoord op te geven. Dat kan ook niet … maar we denken wel dat de systemische bril hier voor verrijking kan zorgen.
Rouwtaken
In een eerder blogbericht, schreven we al iets over het werk dat mensen moeten verrichten tijdens een rouwproces. Net omdat dit een actief proces is, kiest men meer en meer voor de term ‘rouwtaken’. De vroeger, frequent gebruikte term ‘rouwfases’ liet te veel uitschijnen dat het over een lineair verloop doorheen de tijd ging waar mensen sowieso doorgingen, al dan niet passief. Het gaat echter over een aantal taken die de rouwende stap voor stap dient aan te gaan. In het schema hierna worden de vier rouwtaken weergegeven. Natuurlijk is er een verband tussen de verschillende rouwtaken. Het niet aanvaarden van het verlies, zorgt heel vaak dat de volgende rouwtaken niet eens kunnen aangegaan worden … en toch doorloopt de rouwende deze taken niet op een lineaire manier. Iedere aspect die aangepakt wordt in het ene kwadrant, heeft vaak impact op de andere vier en in die zin is het een meer gelaagd, circulair proces … een soort afpellen.

Een systemisch perspectief ?
We herinneren ons aan het verhaal van een jonge vrouw die haar man op een abrupte manier verloor. Amper een week na de begrafenis, werd ze benaderd door mensen met de volgende woorden : “Goh, je ziet er goed uit, het gaat precies wel met jou. Doorbijten, hè … .” Stap voor stap leerde ze dat mensen het moeilijk hadden om met haar in gesprek te gaan over haar verdriet enerzijds en anderzijds sijpelde de overtuiging binnen in haar dat ze zich sterk moest tonen, moest doorbijten. Daardoor begon ze de pijn weg te duwen. Helaas was de pijn daarmee niet weg. Meer zelfs, de rouwtaken werden aan de kant gelegd en zo kom je vaak later bij uitgestelde rouw, wat veel complexer is om mee om te gaan. Rouwen is in onze beleving dus eerder een collectief gebeuren dan een individueel proces. Waarom denken we dat ?
- In een familiesysteem zitten sowieso een aantal normen op het vlak van tonen en delen van verdriet. Als verdriet tonen niet gepast is, dan blijft iedereen vaak met zijn verdriet zitten. Enerzijds heeft dit een nefast effect op het doorlopen van de rouwtaken. Anderzijds slijt dit patroon nog dieper in het systeem, wat dat meteen ook impact kan hebben op latere generaties.
- Het niet kunnen rouwen in verbondenheid heeft ook een diepe impact op alle familieleden. Het meest wezenlijke – nl. je diepe pijn – niet kunnen delen, zorgt voor een verdubbeling van de pijn. Enerzijds de pijn van het verlies anderzijds de pijn van geen verbinding te vinden en dit net in de kern van je zijn. Zeker voor kinderen is dit ingrijpend omdat ze dit cognitief nog niet zo goed kunnen plaatsen. Het effect is in elk geval dubbele pijn : pijn omwille van het verlies en pijn omwille van het niet verbonden zijn op die wezenlijke laag.
- Intense pijn – soms gekoppeld aan traumatische ervaringen – die niet gekanaliseerd wordt in het familiesysteem, zorgt er vaak voor dat die pijn en de bijhorende patronen worden doorgeschoven naar latere generaties. In die zin zien we in opstellingen soms pijn en verdriet van het hele systeem gieren doorheen een familielid en meestal is dat een meer sensitief iemand binnen de familie. Net daarom voelt hij of zij dat wat nog niet verwerkt is. Als zo iemand geen bedding vindt om die pijn te kanaliseren, dan kan zo iemand gewoon door midden breken of letterlijk “gek” worden …
Verbondenheid als bedding voor rouwen
Het verdriet dat hoort bij het verlies van iemand die je heel dierbaar is vergt heel veel zorg. Dit soort verdriet kan je moeilijk alleen (ver)dragen. Verdriet wordt anders als je andere mensen toelaat om met je mee te dragen en/of als andere je mee helpen dragen.
Daarom is samen, in authentieke verbondenheid, afscheid nemen een unieke kans – een kans om heel intens afscheid te nemen, om heel bewust stil te staan bij het leven en de dood. Een kans om samen “ja” te zeggen tegen het rouwen. In de jachtigheid en de “mooi en gelukkig zijn aan de buitenkant” van het dagelijkse leven komen heel wat mensen daar gewoon niet toe. Het is lastig, we worden er ongemakkelijk bij, weten niet zo goed wat zeggen, hopen dat het snel weer beter gaat, …. We hebben de neiging om het kijken naar de dood ver voor ons uit te schuiven en net daardoor ontzeggen we elkaar een kans op diepe, helende verbondenheid.
In periodes van verdriet zijn mensen vaak heel erg teruggetrokken in zichzelf, omdat de pijn en het verdriet té groot is – mensen denken dat niemand hen kan verstaan in hun verdriet, willen tevens ook niemand lastig vallen… ze voelen zich met niets of niemand meer verbonden – behalve de overledene – … waardoor ze nog éénzamer zijn dan eigenlijk goed is om te kunnen starten aan de rouwtaken.
Bij mensen die vast lopen in hun verdriet, merken we trouwens vaak dat ze al eerder emotioneel vast zijn komen te zitten omdat er vaak al een groot verlies is geweest in hun leven op jongere leeftijd of omdat ze een nog niet verwerkt verdriet uit het familiesysteem (meestal van één van de ouders of zelfs grootouders) op zich hebben genomen uit “blinde liefde”. Zo stapelt het ene verdriet zich op het andere verdriet. Voor de aandachtige lezer … je krijgt dus een dubbele stapel. Enerzijds stapelt het individu pijnlijke ervaringen op i.p.v. die te verwerken … maar die stapel komt dan ook nog eens te liggen op de stapel die al aanwezig was in de familie. Het individuele onvermogen tot rouwen wordt dan gehinderd door het systemische onvermogen tot rouwen. Sabine Noten schrijft daarover in haar boek “Stapeltjesverdriet” (zie blog “Stapeltjesverdriet“. Haar werk is dan weer gebaseerd op de inzichten van Franz Ruppert, een man die op dit vlak het opstellingenwerk een heel stuk verder brengt.
— in een eerstvolgende blog gaan we dieper in op de kracht van rituelen bij rouwen, vervolgens plannen we ook een blog over uitgestelde rouw —
Barbara & Philippe
Ik ben een vrouw van 21 jaar, gelukkig getrouwd en trotse mama van twee klein meisjes. Ik heb een leuke job als logistiek medewerker op de spoedafdeling van een ziekenhuis.
Ik heb al lang een grote droom nl. mijn verpleegsterdiploma behalen en daar zou ik graag op 14 oktober 2011 beginnen.
Er zijn manieren genoeg, zult u denken, om daartoe te komen:
-avondschool combineren met mijn job,
-project 600
Wel, voor mij zijn deze manieren niet zo vanzelfsprekend, ik heb nl. dyslectie en mijn leermogelijkheden zijn zonder extra hulp ook niet mogelijk (bijv. deze mail is verbeterd door mijn mama), tot ik vorige maandag van het "zorgportaal voor verpleegkunde" hoorde. Ik voelde mij zo opgelucht dat zoiets bestond. Ik nam direct contact op met het HBOV in Sint-Michiels, één van de scholen waar je in samenwerking met de VDAB het project kan volgen.
Ik kreeg er van Carla, één van de personen waarbij ik terecht zou kunnen voor de extra hulp, te horen dat deze hulp na het eerste jaar "zorgportaal" niet afloopt maar wordt voortgezet in het tweede en derde jaar. Ik wist direct dat deze opleidingsvorm de slaagkansen voor mij en ook andere mensen serieus vergroten en dan nog weten dat de mensen van de VDAB in Brugge die verantwoordelijk zijn voor het "zorgportaal", je man, je mama, je hoofdverpleegkundige, je steunen en in je geloven...Ook de directie van het ziekenhuis ziet het alleen maar als een positieve noot want, als alles goed gaat, zou ik in 2014 hun verpleegkundig team vervoegen als verpleegkundige.
Het enige probleem is dat je werkloos moet zijn. Ik ging vol goeie moed naar het ACV, maar kwam ontgoocheld buiten. We zouden die 3,5 jaar moeten overbruggen met een maandelijks bedrag van € 649,- + het inkomen van mijn man, dat ook niet reuze is, en daarmee ons gezin draaiende houden en maandelijks ons huis afbetalen.
Hoe kom ik nu aan deze lage werkloosheidsuitkering? Ik ben 10 jaar geleden afgestudeerd als grootkeukenkok. Ik werkte enkele jaren in de grootkeuken van een ziekenhuis. De laatste twee jaar waren moeilijk, ik miste sociaal contact, de mentaliteit was hard en ik miste het zorgen voor mensen....
Ik besliste te gaan studeren voor zorgkundige, de werkloosheidsuitkering van bijna € 900,- gedurende 15 maanden was voldoende. Toen ik afstudeerde kwam er een grote maar positieve verrassing, ik was zwanger van onze tweede dochter. Dit wilde ook zeggen dat ik langer werkloos was en zo nu niet kan genieten van een hogere werkloosheidsuitkering. Met deze lage uitkering kunnen we 3,5 jaar niet overbruggen. De verantwoordelijke van het "zorgportaal" waarvan de eerste mensen volgend jaar afstuderen, vertelde mij dat er al heel wat mensen onderweg afhaakten, en dit om financiele redenen.
Is dat niet erg? Dit konden stuk voor stuk goede verpleegkundigen worden, maar omdat ze zwarte sneeuw zien moeten ze hun droom opgeven, terwijl elk ziekenhuis en de thuiszorg smeken om verpleegkundigen.
Verpleegkunde is een knelpuntberoep, maar het wordt ook niet erg toegankelijk gemaakt, als mensen met een laag vervangingsinkomen en extra hulp nodig om te studeren, het financieel bijna onmogelijk gemaakt worden hun studies af te maken
Kan dit "zorgportaal" niet gecombineerd worden met het "project 600" of op een andere manier gefinancierd worden? Ik kan mijn werkgever niet vragen om die 3,5 jaar te bekostigen, want zoals iedereen wel weet heeft de zachte sector het financieel hard te verduren.
Knelpunten zijn er om opgelost te worden, niet om nog een grotere kloof te slaan tussen mensen. Als er een groep moet afhaken om financiele redenen en daarom niet kan afstuderen als verpleegkundige is daar niemand mee gebaat.
Onze nieuwjaarswens voor dit jaar was: " Wie toekomst wil maken moet durven dromen". Droomt u er ook niet van dat, als u oud en versleten bent of gewoon in een ziekenhuis ligt, u goed en vlot verzorgd wordt, dat er tijd is voor u en dat het woord "knelpunt" in de verpleegkundige sector niet meer bestaat.
Ik heb een droom en wil die samen met u waarmaken!
Vriedelijke groeten,
Emma Bostyn
0499/29.74.58
Een tijdje geleden schreef ik een blogbericht “Hoe creëer je een context voor parels?” Dat deed ik naar aanleiding van een aantal discover-interviews (zie onder) die ik deed binnen Tragel Zorg, een zorginstelling in Zeeuw-Vlaanderen. Ik werd toen verrast door het bijzondere werk die begeleid(st)ers neerzetten met hun cliënten – mensen met een verstandelijke beperking. Neem de blog even door als je hem nog niet gelezen hebt …
Bouwen aan de juiste context
Naargelang het soort groenten, planten, heesters of bloemen die je wilt kweken, kies je voor een bepaalde samenstelling van de grond. Dat is een logisch principe. Helaas zijn organisaties niet altijd ontworpen vanuit een dergelijke logica. Vaak kom ik in organisaties waar de directie klaagt over de prestaties van de medewerkers zonder dat ze bereid zijn om hun organisatiemodel in vraag te stellen. Je zal maar een orchidee zijn die moet proberen te bloeien in droge zandgrond … .

Toch merk ik meer en meer dat de organisatie context – zowel de zachte (cultuur) als de harde (procedures, organigram, …) kant – bepaalt welk gedrag mensen al dan niet zullen ontwikkelen binnen die context. De rol van managers is in die zin aan het evolueren van een sturende/controlerende rol naar een eerder faciliterende/ondersteunende rol: managers worden meer en meer contextbouwers.
De diepte in duiken
Een ontzettend belangrijke voorwaarde om een goede contextbouwer te kunnen zijn, is het door en door begrijpen van het werk dat de organisatie doet slagen in zijn opdracht. Vaak zijn bestuurders en directieleden te ver verwijderd van het werk om hun rol als contextbouwer goed te kunnen invullen. Enkele oppervlakkige gesprekken met medewerkers en een rondleiding op de werkplek brengen hen onvoldoende bij de kern van wat hun mensen doen. Nieuwsgierig, geduldig en onderzoekend doorvragen zorgt er pas echt voor dat de kern van het werk zich aan je toont en pas dan kan je ook de juiste context neerzetten. Het zou fijn zijn mochten meer bestuurders en directieleden dit – naast alle andere belangrijke taken en verantwoordelijkheden – deel laten uitmaken van hun dagelijks werk.
Begeleiders als inspiratiebron voor teamleiders
Tijdens een nieuwe reeks discover-interviews ging ik verder op zoek naar de kern van het werk van de begeleid(st)ers van de dagbesteding bij Tragel Zorg. Meer en meer kijk ik met bewondering naar het werk dat deze begeleid(st)ers dagelijks neer zetten? De parallellen met gepassioneerde ondernemers zijn bijzonder. Ik zet even één en ander op een rijtje. Heel wat begeleid(st)ers zijn verantwoordelijk voor een bepaald aspect van de dagbesteding. Ik denk hierbij aan : keramiek, textiel, houtbewerking, kaarsen smelten, … . De cliënten kunnen zichzelf – ondanks hun verstandelijke beperking – op zo’n manier ontwikkelen. Meer zelfs, wat ze maken wordt ook echt verkocht in hun eigen winkeltje. Mocht het daarna gewoon in de prullenmand verdwijnen dan zou de drive van de cliënten meteen ook weer weg zijn. Ook voor hen is zingeving belangrijk! Een eerste belangrijke taak van de begeleid(st)er is dus het bedenken van zinvol werk dat binnen de mogelijkheden van de cliënten past. Vervolgens is het de kunst om het werk zodanig aan te passen, dat elke cliënt kan bijdragen afgestemd op zijn of haar specifieke mogelijkheden en beperkingen. Daar zijn de begeleid(st)ers ontzettend creatief in. In de textiel-groep bv. wordt er gekantklost. Voor een slechtziende cliënt zijn er klosjes met verschillend reliëf, voor een cliënt met een minder fijne motoriek zijn de klosjes net iets dikker gemaakt, voor de cliënt die slechts heel stapsgewijs kan werken is er een soort leesrooster gemaakt, … . De drive van de begeleid(st)ers om hun cliënten stappen te laten zetten is bijzonder groot. Als hun cliënten vast lopen, gaan ze meteen op zoek naar oplossingen. De blog waar ik in het begin naar verwees is daar ook een mooi voorbeeld van. En er is meer …
Elke begeleid(st)er heeft daarnaast ook nog een andere uitdaging. Zo was er één begeleider die op termijn met zijn mensen op de markt wou gaan staan. Zodanig dat ze ook echt zelf hun spulletjes zouden kunnen verkopen. Dat betekent dat hij nu eerst en vooral op zoek is naar leuke dingen om te maken die binnen de mogelijkheden van zijn cliënten passen. Eender waar hij komt, kijkt hij met die ogen rond. Vervolgens moet hij die ideeën vertalen tot werkbare stapjes en – zoals ik hierboven reeds beschreef – op zoek gaan naar manieren die afgestemd zijn op wat elke cliënt kan. En dan begeleid hij zijn cliënten stapsgewijs tot op het punt dat ze zelf kunnen meebouwen. Daar zouden heel veel teamleiders iets van kunnen leren … de toewijding, de creativiteit, het doorzettingsvermogen, het geduld, … het is pure Liefde. En dit combineren ze dan ook nog eens met alle andere zorgtaken die horen bij het werken met hun cliënten …
Zo wordt het voor mij stap voor stap duidelijk welke potgrond deze orchideeën nodig hebben …
Opmerking:
Discover-interviews zijn interviews waarbij je op zoek gaat naar positieve voorbeelden in de organisatie. Met die interviews probeer je inzicht te verwerven in wat nu precies de factoren zijn die dit mogelijk maken. Door vervolgens bewuster met die factoren om te gaan, maak je de weg vrij voor medewerkers om het goed te doen. Deze aanpak is ontstaan in de wereld van de Positieve Psychologie. Appreciative Inquiry en Solution Focused zijn disciplines die daar deel van uitmaken.
Geraadpleegde literatuur:
- “The Future of Management” – Gary Hamel
- “Influencer, The Power to Change Anything” – Kerry Patterson, Joseph Grenny e.a.
- “The Workforce Scorecard, Managing Human Capital to Execute Strategy” – Mark A. Huselid, Brian E. Becker, Richard W. Beatty
- “Leadership and the New Science, Discovering Order in a Chaotic World” – Margaret J. Wheatly
- “Liberating the Corporate Soul” – Richard Barrett
- “Good to great, Why Some Companies Make the Leap and Others Don’t” – Jim Collins
Onlangs kreeg ik een mail van een verpleegkundige met veel goesting om te werken. En toch lukt het voor Rosette niet. Ik laat de mail, met de goedkeuring van Rosette, even lezen.
“Zoals u wellicht al weet, ben ik volop op zoek naar een job als verpleegkundige of toch alvast opnieuw in de sociale sector (onthaal in een ziekenhuis, vervoer van mensen in het ziekenhuis, eten geven, rusthuis...). Op zich heeft men in de sector een grote nood aan verpleegkundigen en zelf kan ik een beroep doen op meer dan 23 jaar ervaring...geen probleem dus om een job te vinden zou je denken. Sinds 17 jaar ben ik evenwel MS-patiënte. Dat zorgt ervoor dat mijn handelingen een stuk trager verlopen. Mijn algemene fysieke toestand is evenwel van die aard dat ik nog autonoom kan functioneren: auto rijden, moederschap over twee adoptiekinderen, mensen verzorgen, mijn eigen huishoudelijke taken,... Dankzij een heel degelijke medicatie is mijn toestand dan ook al een tijdlang gestabiliseerd. Zo was ik bijvoorbeeld ook al in staat zo'n 7 jaar lang mijn part-time job uit te oefenen binnen een rusthuis.
Vanuit deze achtergrond kan ik een beroep doen op de Vlaamse OndersteuningsPremie (VOP) die ervoor zorgt dat een werkgever alvast min. 40% van zijn/haar kost terugbetaald ziet bij het in dienst nemen van mij als verpleegkundige. En toch blijkt het heel moeilijk om terug aan de slag te geraken.
Zelf geef ik de moed allerminst op en wil ik er absoluut voor blijven gaan.”
De berichten over het tekort aan personeel duiken overal op. ‘Werk op maat’ zou op zich geen probleem mogen zijn in een sector die aan ‘zorg op maat’ doet. Dus kunnen we maar meteen de vraag stellen wie iemand nodig heeft, er is namelijk een kandidaat. In de vele debatten omtrent de zorgsector blijft de discussie over medewerkers met een beperking achterwege. Heel waarschijnlijk zijn er voorbeelden van zorgorganisaties die een medewerker met beperking (en goesting) goed geïntegreerd hebben. Laat ons deze voorbeelden delen via reacties op deze blog.
En veel succes aan Rosette, die job komt!
Een antwoord op mijn vraag - Wouter Roelstraete
Geplaatst door reganknockaert
under Zorggebruikers
Getuigenis tijdens viering 50 jaar consultatiebureaus West- Vlaanderen door Wouter Roelstraete:
Op dinsdag 25 november 2008 kreeg ik, op 31-jarige leeftijd, via DIASS de diagnose “autismespectrum”- en zo je wil stoornis. Graag wil ik voor u kort proberen uit te drukken wat deze diagnose met mij doet, waarom en hoe ze mij geholpen heeft.
Om dit te doen moet ik eerst iets over mezelf en m’n verleden vertellen.
Ik was 22 toen ik Zuster Klara terug ontmoette. Zuster Klara was het nonneke die zich ontfermde over ons in het derde kleuterklasje. Zuster Klara vertelde me dat ze zich nog herinnerde hoe ik mezelf tekende langs een rij bomen en hoe in iedere boom een gezicht getekend stond. Toen Zuster Klara me vroeg wie al die mannetjes in de bomen waren, zei ik als vanzelfsprekend: wel dat zijn toch de Godjes die over mij waken?
Ik was 2 jaar en kon nog niet lopen, zelfs amper rechtstaan. Toen ik 4 was praatte ik nog met geen woord, en later ook zo weinig mogelijk, enkel als het niet anders kon. Maar op 4-jarige leeftijd maakte ik wel mijn eerste schilderwerkje met lineair en atmosferisch perspectief, of althans getuigend van de eerste inzichten daarin.
Voor Zuster Klara en de rest van mijn dorp was ik een soort wonderkindje. Zuster Klara noemde mij een ‘kunstenaarszieltje’. Als ik midden op de weg lag omwille van het heerlijke gevoel van platheid, de effenheid en de symmetrie van asfaltwegen, en het vrije blauw boven mijn hoofd, kwam dit wel een beetje vreemd over bij het burenvolk, maar er was een verklaring: hij was een artiestje, en ja, artiestjes horen wat raar te doen, zich anders te gedragen dan de anderen (anders kunnen het toch geen kunstenaarszieltjes zijn?). Het cliché wil ook wat.
De waarheid was echter dat ik helemaal geen poging deed om me ‘vreemd’ te gedragen, ik gedroeg me mijn inziens volstrekt natuurlijk. Mijn kleuterjaren herinner ik mij als een voortdurende opeenvolging van zintuiglijk genot, waarbij ik de klanken, geuren, smaken, maar vooral het visuele, dingen, gebeurtenissen, en mensen, allen gelijkwaardig aanschouwde en in me dronk. Het drinken van deze zintuiglijke fenomenen was mijn voornaamste levensdoel en mijn absolute levensgeluk. Dit levensgeluk bracht ik tot uiting in tekeningen, uit fascinatie voor dat zintuiglijke. Maar het zette me ook op een dwaalspoor, gedurende bijna 30 jaar.
Dit dwaalspoor was dat etiket, die verkeerde diagnose, die mensen mij opgekleeft hadden, en die ik aldus zelf in stand hield omdat ik niet beter wist: het etiket een kunstenaar te zijn.
Ik studeerde schilderkunst en kwam in wat we voor het gemak de kunstenaarswereld zullen noemen, terecht. Ik begreep werkelijk niets van deze wereld. Niet op sociaal vlak – uiteraard niet, want de wereld is hoe dan ook onbegrijpelijk op sociaal vlak voor iemand met autisme – maar ook inhoudelijk niet. Als kunstenaar is me overkomen wat ik mezelf zwoer nooit te zullen overkomen: ik ben op een totale manier gefaald en gedoemd als kunstenaar, niet op 1 vlak, maar op alle vlakken, in alle dimensies en kronkels waarin een mens maar kan falen. Als kunstenaar, zo ontdekte ik in mijn twintiger jaren, bleef er helemaal niets over, zelfs geen uiteengespatte zeepbel die tenminste nog sporen nalaat.
Op 1 september 2007 ontmoette ik voor het eerst de leerlingen aan wie ik les zou geven, leerlingen met een normale begaafdheid en autisme. Deze leerlingen keken me aan op de meest zuivere manier die men kan inbeelden, en leken echter mens dan andere mensen. Het leken wel… mensen zoals ik.
Deze leerlingen waren de aanzet om mij aan te melden bij DIASS.
De diagnose die ik kreeg veranderde niets, en alles. Ik voelde me niet slecht of beschaamd, ik had er geen problemen mee of had geen enkele moeite het te aanvaarden.
Maar het veranderde alles omdat ik vanaf nu kon werken aan mezelf vanuit wat ik weet over autisme. Alleen hierdoor kon ik mijn frustratie, de frustratie van een in mijn ogen mislukt kunstenaarschap, eindelijk van mij afleggen. Problemen uit mijn jeugd, problemen nu en problemen voor de toekomst werden plotseling verklaarbaar. De puzzel van mijn leven viel in elkaar en de diagnose is het mooiste geschenk dat ik ooit gekregen heb: nu weet ik dat indien ik de diagnose niet gekregen zou hebben, mijn wereld heel erg diep in elkaar zou gestuikt zijn, waarbij ik me zelfs afvraag of ik er bovenop zou zijn gekomen.
Mijn diagnose was een bevrijding, een bevrijding om te kunnen zijn wie ik ben. Mijn diagnose was ook een geruststelling, en mijn diagnose gaf mij een toekomstperspectief die ik voordien niet had.
Ik zou graag afsluiten met een heel kort stukje uit mijn dagboek, geschreven rond de periode van mijn diagnose.
Ik maak al mijn hele leven tekeningen, toch duurde het een hele tijd eer ik besefte dat het enige wat ik echt goed kan, tekenen is. Ik teken echter niet omdat ik dat goed kan, ik teken omdat ik dat al mijn hele leven doe en ik niet anders kan.
Als kind gebruikte ik het tekenen om wat ik ervoer in een beeld weer te geven, en als communicatiemiddel. Op de kunstscholen leerden we echter kunstenaars zijn. Het heeft lang geduurd eer ik dat kunstenaar zijn kon opgeven, om uiteindelijk weer gewoon te tekenen om mijn ervaringen weer te geven in een beeld, en te communiceren.
De kunstschool was een onnodig obstakel, evenals de kunstwereld. Er valt niets te zeggen, te poneren, er hoeven geen meningen te zijn. Er valt niets te zoeken, niets te bereiken, je hoeft geen kunstenaar te worden. Ik had alles al in 1983. Ik was zes en 1983 is het mooiste jaar uit mijn leven. Ik was vrij.
Ik kreeg een geweldig goed idee toegestuurd
Geplaatst door hilde
under Zorgprofessionals
Vele jaren reeds verzamel ik teksten.
Teksten, uitspraken, verhalen, doordenkertjes, kortom, woorden die de kunst bezitten mensen te laten nadenken.
Al boekjes vol heb ik er van. Sommige uitspraken bewaar ik op een plaats waar ik ze vaak tegenkom, mijn agenda, mijn notitieschrift, het opstarten van mijn gsm of wanneer mijn computer eventjes de tijd krijgt om ‘in slaap te vallen’. Ze houden mij in elk geval wakker!!
Uitspraken die je laten stilstaan bij en nadenken over. Onderstaande tekst is er in elke geval zo eentje.
Het lezen van die tekst zorgde bij mij voor verschillende reacties tegelijkertijd. Zoiets van ‘jah, eigenlijk, jammergenoeg zit er toch wel iets in’, anderzijds, ‘hoe kan iemand nu op zo een inhoud komen, is dit het beeld dat mensen hebben over rusthuizen?’
Ik MOET dit gewoon met jullie delen, sta er eventjes bij stil.
“Ik kreeg een geweldig goed idee toegestuurd.
Laten we onze bejaarden in de gevangenis zetten en
de criminelen in een verpleeghuis!
Op deze manier hebben de bejaarden toegang tot douches, hobby's, en wandelingetjes.
Ze krijgen dan ongelimiteerd gratis medicijnen, medische – en tandheelkundige behandelingen, rolstoelen enz.
Bovendien krijgen ze geld in plaats van te moeten betalen.
Ze worden constant via videocamera’s in de gaten gehouden dus ze kunnen direct geholpen worden als ze vallen of hulp nodig hebben.
Hun beddengoed wordt twee maal per week gewassen en al hun kleding wordt gewassen en gestreken naar hen terug gebracht.
Een surveillant checkt elke 20 minuten hoe het met ze gaat en brengt maaltijden en hapjes naar hun cel.
Ze kunnen familiebezoek ontvangen in een vertrek dat speciaal hiervoor ontworpen is.
Ze hebben toegang tot een bibliotheek, de sportzaal, ‘n geestelijke raadgever, het zwembad en mogen een opleiding volgen.
Eenvoudige kleding, schoenen, slippers en hulp zijn gratis voorhanden .
Privékamers voor allen met een tuin waar oefeningen gedaan kunnen worden.
Elke bejaarde heeft de beschikking over een computer, ‘n TV, ‘n radio en dagelijkse telefoongesprekken.
Een bestuur met managers aangesteld om klachten in behandeling te nemen en de surveillanten moeten zich aan een strenge code hoe de bejaarden te behandelen, houden.
Terwijl aan de andere kant…
De criminelen koud eten krijgen, en alleen worden gelaten zonder dat er naar ze omgekeken wordt.
De lichten gaan om negen uur ’s avonds uit en douchen kan eens per week.
Ze wonen in een kleine kamer, betalen 500 euro per maand en hebben geen enkele hoop er ooit nog uit te komen..
Zet je toch wel even aan het denken niet?”
Hoe creƫer je een context voor parels ?
Geplaatst door reganknockaert
under Zorgprofessionals
Met veel plezier laten we voor onze eerste blog of getuigenis Philippe Bailleur aan het woord. Philippe is coach en adviseur bij Kessels & Smit, The Learning Company. Hij schrijft over z'n ervaring tijdens een begeleidingstraject in een zorgorganisatie. Een parel om te lezen.
“… dus als ik het goed begrijp is het in jouw vak, als begeleidster van mensen met een verstandelijke beperking, belangrijk om kleine stapjes bij jullie dagbewoners op te merken en te ondersteunen. Kan je me daar een voorbeeld van geven, één waar je zelf heel fier op bent ?”
Een voorbeeld
“Binnen de dagbesteding bieden wij allerlei creatieve therapievormen aan voor onze cliënten. Daarmee willen we de ontwikkeling van onze dagbewoners ondersteunen. Zo merken we soms dat iemand ‘uit-ontwikkeld’ is of tenminste dat wij hem of haar niet verder krijgen. Op zo’n moment proberen we te begrijpen waarom. Eén van onze mensen wou bv. alleen maar tekeningen over tekenen van bestaande tekeningen. Telkens we hem uitnodigden om vrij te tekenen, klapte hij dicht. Hij was te onzeker en koos er voor om op veilig spelen. Op een dag nodigden we hem heel voorzichtig uit om met een witte wasco te tekenen op een wit blad papier. We legden hem uit dat er zo niemand zou zien of zijn tekening nu al dan niet mooi was. Door deze veilige setting aan te bieden, ging de man aan het tekenen buiten zijn comfortzone. Toen de tekening klaar was vroegen we hem of we de tekening mochten overschilderen met verf, want zo zou zijn tekening alsnog zichtbaar worden. En dit alleen als dat helemaal goed voelde voor hem. Hij stemde in. Een mooie tekening toonde zich. De man was bijzonder trots en bloeide sinds dan verder open. Kort daarna werd dat ook door zijn familie opgemerkt. Daardoor kwam hij vaker naar de dagbesteding, met name van 2 dagen naar 4 dagen per week.”

Een lerend netwerk
Deze parel toonde zich tijdens een interview met een begeleidster van Tragel Zorg, een zorginstelling in Zeeuws-Vlaanderen die de voorbije jaren – net zoals heel veel andere zorginstellingen – al heel wat veranderingen onderging. Tragel Zorg maakt – als pilot-organisatie – deel uit van een lerend netwerk opgezet door de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN), de brancheorganisatie voor aanbieders van zorg- en dienstverlening aan mensen met een handicap. Door het opzetten van dit lerend netwerk wil VGN een plek bieden waar gelijkaardige organisaties elkaar kunnen ontmoeten, prikkelen, voeden, inspireren, … bij het aangaan van de uitdagingen waar dergelijke organisaties voor staan.
Minder transactioneel - Meer transformationeel
Het werken met mensen met een verstandelijke beperking kan op verschillende manieren. Dit is trouwens heel gelijklopend met kinderopvang, merk ik als vader van twee jonge kinderen. Je kan kinderen de hele dag “bezig houden” (= eerder transactionele interactie) of je kan activiteiten aanbieden waarbij ze geprikkeld worden, iets leren, groeien, open bloeien, zich ontwikkelen … (= eerder transformationele interactie). Zelf weet ik waar ik mijn kinderen het liefst naartoe breng !
Natuurlijk wil men bij Tragel Zorg een meer transformationele interactie met de dagbewoners. Dit vergt uiteraard een heel specifieke ingesteldheid van de begeleidsters. Het hiervoor beschreven voorbeeld toont wat er nodig is om dit soort doorbraken bij cliënten mogelijk te maken : heel veel empathie, oog voor kleine stapjes, liefde voor mensen, oog voor wat wel werkt ondanks de beperkingen, geduld, creativiteit, durf, fijngevoeligheid en het vermogen om – als begeleidster – te reflecteren over het eigen handelen.
Welke context is er nodig voor dit soort parels ?
Door dit soort parels te verzamelen, leren we wat de kern is van het werk van de begeleidsters van de dagbesteding. Pas dan is het echt mogelijk om een organisatie zodanig vorm te geven dat net dit gedrag wordt ondersteund. Wat we de komende tijd zullen doen, is nog meer parels verzamelen zodanig dat we stap voor stap antwoorden kunnen formuleren op de volgende vragen ?
- Uit welk hout zijn mensen gesneden, om op zo’n bijzondere manier te kunnen werken ?
- Hoe stellen we teams best samen, hoe sturen en ondersteunen we teams zodat dit bijzondere talent zich ten volle kan ontplooien in het belang van de dagbewoners ?
- Welke leiderschapsstijl is het meest ideaal ?
- Welke processen, structuren, procedures, … zijn er al dan niet nodig om dit alles – binnen het beschikbare budget – mogelijk te maken ?
- Welke praktijken die we nu mogelijks toepassen, hinderen net wat we eigenlijk meer willen zien bij onze begeleidsters ?
Kortom, hoe kan Tragel Zorg nog meer een context worden voor dit soort parels ? Net door het vinden van antwoorden op deze vragen, zal Tragel Zorg er stap voor stap in slagen om een nog betere organisationele bedding te worden voor het bouwen aan een wezenlijk verschil in het leven van mensen met een verstandelijke beperking en hun familieleden.
Wordt vervolgd …